Het Englandspiel
en de geheime diensten in Londen

Becker & Becker

SIS-agent Kees van Brink

‘If Spin had magnet he would draw you here. Don’t let me down now’, luidde een van de noodkreten van Kees van Brink, alias Spin.

FB · 18 januari 2026

Kees van Brink

Kees van Brink Nationaal Archief, Justitie, 02.09.06, inv.nr. 10077.

Toen de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, bevond de jonge zakenman Kees van Brink zich al drie jaar in Sydney, Australië. Zijn vader was directeur van Groothandel in Koloniale Waren v.h. A.R. van Gelderen-Vuyk in Rotterdam. Cornelia Dupain, zijn moeder, was dochter van een fabrikant van vuurmakers in Rotterdam. Kees werd als hun derde zoon geboren op 20 maart 1914 in Schiedam. Hij volgde de lagere school in Rotterdam en daarna de vierjarige handelsschool in Den Haag. Twee jaar was hij volontair bij de Rotterdamsche Bankvereniging, waarna hij ging werken in het bedrijf van zijn vader. Intussen vervulde hij in 1934 zijn dienstplicht bij het 4de regiment Infanterie. In januari 1937 vertrok hij met de MS Aagtekerke naar Australië, waar hij als vertegenwoordiger van verschillende Nederlandse bedrijven optrad. Na twee jaar vestigde hij met David Slap (1915-2006) het import- en exportbedrijf Van Brink, Slade & Co. Vanaf eind 1939 ging Kees bovendien als vertaler en omroeper werken bij de Australian Broadcasting Commission, waar hij het programma voor Nederland en Nederlands-Indië verzorgde.

Met vijf Hollandse vrienden in Australië sprak hij af dat als Nederland in oorlog zou komen, zij direct hun diensten zouden aanbieden. Hij vertelde later dat zij schertsenderwijs het ‘Suicide Squad’ of de ‘Beroepshelden’ werden genoemd. Van Brink hield zich aan die afspraak: op 25 mei 1940 nam hij de boot naar San Francisco en reisde via New York naar Engeland. Op 11 juli kwam hij aan in Liverpool. Zonder de gebruikelijke screening door de Britse veiligheidsdienst MI5 kreeg hij een verblijfsvergunning voor drie maanden.

In Australië had Van Brink vliegles gehad en voor zijn vertrek had hij op het punt gestaan zijn sportbrevet te halen. Op zijn verzoek mocht hij in Engeland naar het RAF opleidingskamp Hednesford, bij Stafford. Al na drie weken echter werd hij afgekeurd vanwege een probleem met zijn rechteroog. Omdat hij ‘graag actief wilde optreden’, verwees de commandant van Hednesford hem naar Bill Hooper van de Britse inlichtingendienst Secret Intelligence Service (SIS). Hooper had voor de oorlog lange tijd voor SIS in Nederland gewerkt en verzorgde nu de uitzending van agenten naar bezet Nederland. Van Brink was meer dan welkom, onder andere vanwege zijn kennis van Rotterdam en omgeving. De Britten zetten zich namelijk schrap voor een mogelijke Duitse invasie en zagen Rotterdam als een van de potentiële uitvalsbases daartoe. SIS was dus zeer geïnteresseerd in inlichtingen over mogelijke voorbereidingen in Rotterdam door Duitse troepen.

Verwachte Duitse invasie vanaf het continent

Verwachte Duitse invasie vanaf het continent. Bewerking van The National Archives, CAB 121/308.

Voor zijn uitzending als geheim agent kreeg Van Brink een opleiding van drie maanden. Omdat hij per vliegtuig zou worden afgezet, bestond die onder meer uit een parachutetraining. Verder moest hij leren ‘met een radio zend- en ontvanginstallatie om (te) gaan’. Zijn lessen in radiotelegrafie kreeg hij van een voormalig marconist van de koopvaardij.

Toen hij zich aan het einde voor een test in St. Albans moest melden bij een Britse majoor, was deze tevreden. Van Brink haalde een snelheid van ongeveer 18 woorden per minuut. Dat was voldoende omdat hij het zenden aan een ervaren telegrafist zou gaan overdragen. Josef van der Schrieck, vanuit het ministerie van Buitenlandse Zaken betrokken bij de beveiliging van overheidsberichtgeving, leerde hem een vorm van codering die Van Brink moest toepassen op zijn telegrammen en die gebaseerd was op het Nederlandse Intercommunale telefoonboek van januari 1940. De Britten waren daar niet erg mee ingenomen en Van Brink vermoedde later dat de communicatieproblemen die hij met Londen kreeg, mede daaruit voortkwamen.

Hij sprak over zijn opdracht en, zoals hij zelf schreef, ‘de methodes, die ik zou moeten toepassen om deze missie tot een succes te maken’ met Hooper en Adriaan Vrinten. De Rotterdammer Vrinten was voor de oorlog informant bij de Britse inlichtingendienst geweest. Voor de Nederlandse Centrale Inlichtingendienst (CID) fungeerde tweede man Robert Derksema als Van Brinks contactpersoon. Het hoofd van de CID, François van ’t Sant, ontmoette hij vóór zijn uitzending niet persoonlijk. In het voorstel om hem naar bezet gebied uit te zenden formuleerde SIS begin september zijn opdracht:

to report on all military, naval and air activities in the district of Rotterdam. Naval activities in the port itself, air activities from the Waalhaven airfield; shipbuilding and lighter traffic on the river, oil depots at Vlaardingen, Pernis and Rotterdam, as well as military concentration in Rotterdam itself.

Van Brink moest zelf direct beginnen informatie te sturen, maar moest ook een organisatie opbouwen om in de buurt van Rotterdam blijvend inlichtingen te verzamelen en naar Londen te zenden. Als dat eenmaal goed liep, kon Van Brink zich in verbinding stellen met Londen om te worden teruggehaald. Van Hooper en Vrinten kreeg hij het adres mee van Johan Zaal, een Rotterdamse zakenman met wie Vrinten samen had gewerkt voor de Britse inlichtingendienst. Zaal zou de spil van Van Brinks inlichtingenorganisatie moeten worden. Ook gaf Vrinten hem het adres van een vrouw in Rotterdam via wie hij een marconist zou kunnen vinden. Voor financiële steun moest hij contact zoeken met Philippus van Ommeren (1900-1994) van NV Phs. Van Ommeren’s Scheepvaartbedrijf.

Vanguard was de codenaam die Van Brink bij SIS kreeg. Bij zijn vertrek kreeg hij een Nederlands paspoort mee op naam van Cornelis Rakee, de naam van een lid van zijn Australische vriendengroep. Behalve zijn zendinstallatie bestond zijn uitrusting uit een automatisch pistool met 16 patronen, een kleine schep om zijn parachute te begraven, een drietal boterkaarten en een paar broodkaarten. Van de boterkaarten waren maar een paar bonnen geldig, de broodkaarten bleken al verlopen. Voor zijn vertrek werd hij door Hooper voorgesteld aan prins Bernhard, die hem het beste toewenste en verzocht een persoonlijke boodschap over te brengen. Op aanraden van Hooper heeft Van Brink dat niet gedaan.

Met het oog op zijn terugkeer naar Engeland – hij zou een maand of twee, drie blijven – werd een afspraak gemaakt met de piloot Heije Schaper van 320 Dutch Squadron RAF, die hem met een watervliegtuig zou komen ophalen. Een maand eerder had Schaper op dezelfde manier geprobeerd SIS-agent Lo van Hamel op te halen vanaf het Tjeukemeer, maar dat was op een tragische mislukking uitgelopen. Het plan was om Van Brink op te pikken vanaf het IJsselmeer, vijf kilometer ten zuiden van Oudemirdum in Friesland. Van Brink zou in een bootje op Schaper wachten en met lichtseinen zijn positie aangeven. Schaper had minimaal twee weken nodig voor de voorbereiding.

In de nacht van 18 op 19 november 1940 was het zover: piloot Teddy Knowles (1909-1942) en zijn bemanning brachten Van Brink in een Whitley van No. 419 Flight RAF naar Oudemirdum in Zuidoost-Friesland. Van Brink kende het terrein daar goed omdat zijn vader het jachtrecht in de gemeentebossen van Gaasterland pachtte. Hij was er zeker van dat hij kon rekenen op jachtopziener Jan Steffens en gemeenteveldwachter Harmen de Jong. Na zijn landing bleek hij inderdaad bij hen terecht te kunnen: om te beginnen zorgden ze dat hij een goed persoonsbewijs op naam van Rakee kreeg.

piloot Teddy Knowles

Edward Vincent ‘Teddy’ Knowles. Find a grave.

Van Brink gebruikte in eerste instantie zijn ouderlijk huis in Wassenaar als uitvalsbasis, zijn zendapparatuur was door Steffens uit Friesland daarheen gebracht. Maar al snel bleek hem dat zijn opdracht onmogelijk uit te voeren was: toen hij zich meldde bij Zaal in Rotterdam, wees deze iedere deelname aan het inlichtingenproject af. Zaal was meteen na de inval van de Duitsers bezocht door de Gestapo en werd nog steeds in de gaten gehouden. ‘Hiermede was dus de vaste basis, die men in Londen aangenomen had met één slag onbruikbaar.’ Ook de andere adressen die Van Brink uit Londen had meegekregen waren onder surveillance van de Duitsers, ‘brulés’, zoals Van Brink later schreef. Hij zag ervan af om Van Ommeren te benaderen, omdat hij blijkbaar alleen een ingang had bij ‘de beheerder bij deze firma’, Hendrik Pieter van Vliet (1870-1965), consul-generaal voor Japan, die volgens Van Brink ‘algemeen niet vertrouwd werd’. Zenden vanuit zijn ouderlijk huis bleek ook een risico. Van Brinks broer, die bij Philips werkte, vertelde hem dat het toestel storing zou veroorzaken, ‘zodat radio ontvangers in de onmiddellijke omgeving de uitzending zouden kunnen waarnemen. Het gevaar het toestel op te stellen in een stad was dus zeer groot.’ Hij besloot terug te gaan naar Oudemirdum en verbleef vier maanden bij De Jong en daarna nog enkele weken bij Steffens.

Tekening van Machteld van Borssum Buisman van Van Brinks werkzaamheden als geheim agent met het onderschrift ‘Van Brink bepaalde de posities van de aan ducdalven gemeerde rijnaaken…’ in Frank Visser, De bezetter bespied. De Nederlandse Geheime Inlichtingendienst in de Tweede Wereldoorlog (Zutphen 1983) 20. Uit Van Brinks verslag blijkt overigens dat hij hier zich nooit mee heeft beziggehouden.

Van Brink beschouwde zijn opdracht dus al snel als mislukt en liet daarom aan Londen weten dat hij opgehaald wilde worden. Hij had wat documenten verzameld die hij wilde meenemen: informatie van zijn broer over een richtingzoeker voor ultra korte-golf-zenders, Duitse verordeningen, telefoongidsen, stafkaarten en andere gegevens die hij via verschillende relaties had verkregen. Op woensdag 11 december 1940 zond hij het verzoek om vrijdag de 13de om middernacht te worden opgepikt. Degene die dit bericht ontving was Euan Rabagliati, die Hooper was opgevolgd als verantwoordelijke bij SIS voor de operaties in Nederland. Op 17 december vroeg Rabagliati aan Van ’t Sant hoe het precies zat: welke instructies had Van Brink voor vertrek gekregen? Hij voegde daaraan toe:

I cannot help the feeling that there must be some misunderstanding in this poor chap’s mind over the notice we require before attempting his rescue. It seems incredible that anyone could make a mistake between fourteen days and forty-eight hours for the necessary notice in a case where his own life is at stake.

Van het begin af aan was de communicatie tussen Van Brink – die het alias Spin gebruikte - en Londen moeizaam. Pas vanaf het vierde telegram dat hij zond, op 3 december 1940, lukte het Londen om zijn berichten te ontcijferen. Enkele van zijn berichten kwamen niet door en regelmatig kwam de tekst slecht over – ‘vervormd’ door atmosferische storing. Maar dat wist Van Brink niet. Hij ontving namelijk geen bevestiging van zijn berichten naar Londen. Daarom vroeg hij of de Nederlandse nieuwslezer bij de BBC ter bevestiging van zijn boodschappen twee keer kon kuchen. Pas op 20 december hoorde hij dat signaal.

Van Brink seinde diezelfde dag naar Londen met de mededeling dat hij tot 6 januari 1941 uit de lucht ging. Maar intussen werkte Rabagliati wel aan zijn terugkeer. Twee dagen later liet hij Van Brink weten dat hij hopelijk rond volle maan, 11, 12 of 13 januari, kon worden opgehaald. Maar dit bericht bereikte Van Brink dus niet meer. Aan Van ’t Sant schreef Rabagliati dat het Air Ministry – verantwoordelijk voor de RAF – in principe akkoord was met de ophaalactie. Het was aan Van ’t Sant om te zorgen dat Schaper van admiraal Johan Furstner toestemming kreeg. Terwijl zo in Londen alle voorbereidingen werden getroffen, veranderde de situatie in Friesland. Toen Van Brink op 6 januari weer in de lucht kwam, had de vorst toegeslagen en kon van een ophaalactie met een watervliegtuig geen sprake meer zijn. Dus vroeg hij of Knowles met een Lysander kon komen, een type vliegtuig dat ook in andere gebieden ingezet werd om agenten op te halen. Volgens Van Brink was het ijs dik genoeg om op te landen. SIS voelde er niet voor. Van Brink moest maar wachten tot het ijs gesmolten was.

Kreeg Rabagliati genoeg van de grote hoeveelheid – en steeds dringender wordende – berichten van Van Brink om opgehaald te worden? Of werd het luchtruim boven Friesland voor de RAF te gevaarlijk voor een terughaalactie? Hoe het zij, vanaf maart 1942 kreeg Van Brink het advies op eigen gelegenheid naar Londen te komen, ondanks de meer dan dertig telegrammen die hij tot 22 april stuurde met de strekking: kom me halen! Op 17 januari berichtte hij bijvoorbeeld: ‘If Spin had magnet he would draw you here. Don’t let me down now.’

Onderwijl ging een van de zoons van veldwachter De Jong voor hem op pad om informatie te verzamelen. Hij reisde onder meer naar Leeuwarden, Schiermonnikoog en Rotterdam, waarna Van Brink de inlichtingen doorstuurde naar Londen. Zo seinde hij op 11 maart 1941: ‘Waalhaven Rdam; South and south west part seventy barges equipped with two aeroplane engines each; east side important military building preparations south of pier two.’ En een dag later: ‘Schiermonnikoog munition dump north west corner east of Badhotel; Flak and searchlight near dump also east of new lighthouse.’ Hoewel SIS liet weten de informatie zeer waardevol te vinden, twijfelde Van Brink later aan het nut ervan: hij had nooit iets gemerkt dat er enige actie werd ondernomen op de plekken waarover hij inlichtingen had gestuurd.

Hij deed, waarschijnlijk eind april, een poging om via Delfzijl per schip weg te komen, maar dat mislukte. Uit angst dat zijn verblijf in Oudemirdum zou opvallen, besloot hij naar Wassenaar te gaan. Onder zijn eigen naam – dankzij de gemeentesecretaris van Gaasterland kon hij over een geldig persoonsbewijs beschikken – werkte hij tot eind november 1941 in het bedrijf van zijn vader. Die had overigens de kosten voor zijn verblijf in Nederland voor zijn rekening genomen. Met hulp van Hijman Slap (1908-1942), de broer van zijn compagnon in Australië, kon hij via een goed georganiseerde ontsnappingslijn naar Frankrijk komen. In Lyon werd hij verder op weg geholpen door Sally Noach, die hem ook aan bonnen hielp. Maar zoals velen liep hij verder in Zuid Frankrijk vast. Ook later, in Lissabon, kon hij niet op medewerking van Nederlandse instanties ter plaatse rekenen.

Wel maakte hij eind januari, begin februari 1942 kennis met een groep Fransen van de ‘Gaullistische beweging’ en ontmoette zo de vrouw die zijn echtgenote zou worden, Georgette Anne-Marie Marty. Hun huwelijk werd op 27 juni 1942 in Toulouse voltrokken. Zij bleef nog in Toulouse, waar ze als verpleegster werkte en bovendien actief was voor de Frans geheime dienst, het Deuxième Bureau. Pas in 1944 werd het echtpaar herenigd in Londen.

In juli 1942 kon Van Brink doorreizen naar Spanje en Portugal, om uiteindelijk via Curaçao, New York en Canada op 18 september 1942 in Londen aan te komen. Al zal Van Brink er weinig van hebben gemerkt, achter de schermen deden Rabagliati’s opvolger Charles Seymour en de CID hun best om hem zo snel mogelijk naar Engeland te krijgen. Eenmaal in Londen, hoefde hij voor de Britten geen rapport op te stellen. Bij de Nederlandse Politie Buitendienst, die Nederlanders op betrouwbaarheid onderzocht, nam Oreste Pinto hem een uitgebreid verhoor af, maar bij de inlichtingendienst bestond geen belangstelling voor zijn verhaal. Zoals Van Brink schreef: ‘Een werkende Geheime Dienst als zodanig bestond op dit tijdstip eenvoudig niet.’ Daarbij kwam dat hij al geruime tijd uit Nederland weg was en de oorlogssituatie zowel als de omstandigheden in bezet gebied sinds eind 1940 sterk waren veranderd. In Engeland hadden degenen die verantwoordelijk waren geweest voor zijn uitzending niet meer dezelfde functie en verantwoordelijkheid. Zelfs de spullen die hij bij vertrek in bewaring had gegeven bij Derksema, waren niet meer terug te vinden.

Van Brinks missie was geen succes. Hooper en Vrinten hadden moeten begrijpen dat de Duitsers de contactadressen die ze Van Brink hadden meegegeven, allang in het vizier hadden. De communicatie met Londen verliep moeizaam, waarbij het feit dat Van Brink eenzijdig de verbinding verbrak niet hielp. Pinto concludeerde dat hij ‘voor dergelijke opdrachten’ niet geschikt was gebleken. Het zou Van Brink aan ‘koelbloedigheid’ ontbreken: na de eerste tegenslag dacht hij er niet aan nieuwe contacten aan te boren of zich met een geheime organisatie in verbinding te stellen, maar was zijn eerste reactie om zo snel mogelijk terug te gaan. Daar kunnen we tegenover stellen dat Van Brink ondertussen wel inlichtingen wist te verzamelen en te versturen en dat het hem bovendien lukte om heelhuids naar Engeland terug te keren. In augustus 1943 ging hij werken bij Bureau Inlichtingen, de nieuwe, in 1942 opgerichte Nederlandse inlichtingendienst. Ook na de oorlog werkte hij nog enige tijd voor de Nederlandse regering. Daarna keerde hij terug naar Australië, waar hij overleed in 2004.

David ‘Daan’ Slap – David ‘Danny’ Slade in Australië – geboren in 1915 in Amsterdam, handelsreiziger in schrijfmachines volgens de registratie in het Militieregister uit 1934, vertrok in september 1937 met de RMS Orion naar Sydney, Australië. In 1936 had hij zich in Amsterdam verloofd met Rachel ‘Chellie’ Zurel (1915-2004), Chelly in Australië. Op 22 februari 1939 ondertekende zij de trouwakte en haar broer Gerard (1917) tekende namens David, ofwel zij ‘trouwde met de handschoen’. Voor de huwelijksnacht ging Rachel naar huis met haar ouders, David ging aan de andere kant van de wereld naar de bioscoop. In april 1939 bereikte Chelly Sydney. Hun zestigjarig huwelijk vierden ze in Darling Point, zo schrijft The Sydney Morning Herald, 22 februari 1999.


Bronnen

  • Hugh Verity, We landed by moonlight. Secret RAF landings in France, 1940-1944 (herz.ed. 2000; Manchester 2013). Knowles, ‘quite a character, a fighter boy’, kwam op 23 augustus 1942 om het leven bij een ongelukkige start met een Whitley op het Isle of Man.
  • Kenneth Merrick, Flights of the forgotten. Special duty operations in World War Two (Londen 1989).
  • Nationaal Archief (NA), Ministerie van Justitie te Londen, 2.09.06, inv.nr. 10077.
  • NA, Ministerie van Defensie te Londen, 2.13.71, inv.nr. 2760.
  • Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek 4C-I, De Nederlandse geheime diensten te Londen. De verbindingen met het bezette gebied (Punt F van het Enquêtebesluit), Verhoren (’s-Gravenhage 1950).
  • Becker & Becker, Het Englandspiel en de geheime diensten in Londen (Amsterdam 2024).
  • Frank Visser, De bezetter bespied. De Nederlandse Geheime Inlichtingendienst in de Tweede Wereldoorlog (Zutphen 1983).
  • ‘Geheimagent Cornelis Hendrik (Kees) van Brink’, Gaasterland in de Tweede Wereldoorlog.

Alle blogs SIS-agenten