Het Englandspiel
en de geheime diensten in Londen

Becker & Becker

Nieuwe leugens, slachtoffers en complottheorieën

In een recent verschenen boek wordt Erik Hazelhoff Roelfzema op een onaangename en amateuristische manier zwartgemaakt. We willen een aantal punten rechtzetten.

B&B · 5 mei 2026

Onlangs verscheen De Soldaat van Oranje ontmaskerd. Leugens, slachtoffers en geheimen waarin Petra Alkema in grote lijnen stelt dat Erik Hazelhoff Roelfzema géén held is, maar een leugenaar die anderen nodeloos in gevaar heeft gebracht en zelfs slachtoffers heeft gemaakt. Volgens de omslag past Alkema, forensisch onderzoeker en technisch rechercheur, hier ‘haar onderzoeksmethode voor het eerst toe op een historische casus’ en roept ze daarbij ‘concrete en onderbouwde vragen op’. Maar objectief onderzoek is in dit boek ver te zoeken, er is eerder sprake van een gevaarlijke tunnelvisie.

Hazelhoff kan in de ogen van Alkema niets goed doen. Het pamflet dat hij schreef in 1941, ‘Leids manifest’, was niet genoeg – want geen expliciete steun aan joodse medestudenten – en te veel – want een bedreiging voor de professoren Cleveringa, Telders en Meijers. Bovendien waren het gebruikte papier en lettertype veel te chique. Het wordt hem kwalijk genomen dat hij niet aanwezig was bij de toespraak van professor Cleveringa in Leiden. Dat hij niet behoorde tot de Ordedienst of de verzetsgroep rond Gerrit van der Veen. Dat hij slechts 2-3 dagen in de Scheveningse gevangenis, het ‘Oranjehotel’, werd vastgehouden, áls hij er al was – want anderen werden immers langer vastgehouden of gedeporteerd. Dat hij bij de Royal Air Force vloog in een tijd dat er weinig verliezen werden geleden, ook nog eens in een van de veiligste vliegtuigen.

Het enige doel van de auteur lijkt het zwartmaken van Hazelhoff Roelfzema. Het ‘oproepen van vragen’ blijft beperkt tot het speculeren over zijn eventuele beweegreden en over mogelijke verklaringen van tegenstrijdigheden in zijn geschriften. Ondertussen rakelt Alkema oude leugens op die allang ontkracht waren. Daarmee maakt de auteur nieuwe slachtoffers, die zich bovendien niet meer kunnen verdedigen.

Alkema’s ‘onderzoeksmethode’ wordt gekenmerkt door 1) het meten met twee maten, 2) speculatie en suggestie, 3) gebrek aan historisch perspectief en 4) vele onjuistheden die daaruit voortkomen.

Meten met twee maten

Niet alles in Hazelhoffs boek Soldaat van Oranje is waar. Maar dat maakt Hazelhoff Roelfzema nog geen leugenaar of schurk. In zijn boeken maakte hij zijn leven mooier dan het was. Hij speelt in zijn eigen verhaal de hoofdrol en zorgt dat hij ‘het beste uit de verf’ komt. Dat komt meer voor in autobiografieën. Als zijn verhaal wordt gebruikt voor een film of musical, begrijpt iedereen dat de hoeveelheid fictie erin toeneemt. Dat kan Hazelhoff niet verweten worden.

Hij schreef meerdere versies van zijn memoires, verder zijn er nog rapporten van zijn hand en getuigenverklaringen. Daartussen zitten verschillen. Dat kan bijna niet anders. Bijvoorbeeld: geheim agenten Ben Ubbink en Pieter Dourlein ontkwamen uit bezet Nederland en tekenden onderweg en na aankomst in Engeland meermaals hun verhalen op. Elke keer waren die anders. En hoewel ze hetzelfde hadden meegemaakt, zaten er altijd verschillen tussen hun versies van de gebeurtenissen.

Het probleem is dat Alkema aan de onvolkomenheden en verschillen verregaande conclusies verbindt. Bovendien legt zij bij de critici van Hazelhoff en zijn medestanders een hele andere maatstaf aan. Kritiekloos volgt ze het perspectief van bijvoorbeeld de ambtenaren Tony Lovink en Cornelis Warners, generaal Jan van Oorschot en anderen die zich in Londen met inlichtingen bezighielden als Oreste Pinto, Robert Derksema, Mattheus de Bruyne. Evenzo de bronnen aan Duitse kant: Hermann Giskes, Joseph Schreieder en Richard Christmann. Bijna alles wat zij schrijven of zeggen wordt voor waar aangenomen en als Alkema toch stuit op een oneffenheidje, worden de getuigen zelf niet voor leugenaars uitgemaakt.

Wat Alkema bovendien verzuimt te benoemen is dat deze personen een (weinig) verborgen agenda hadden. Terwijl het toch duidelijk moge zijn dat getuigen – al werden ze onder ede verhoord voor de Parlementaire Enquête 1940-1945 – niet op hun woord geloofd kunnen worden. Wie had er niet een straatje schoon te vegen of verantwoordelijkheid of beschuldigingen bij een ander te leggen? Wie leed er niet aan – al dan niet – strategisch geheugenverlies? Dat gold zeker voor de Duitse actoren, maar ook voor minister-president Gerbrandy, de ministers Dijxhoorn en Furstner en de militairen die zich in Londen gepasseerd voelden zoals Van Oorschot en De Bruyne.

Alkema neemt bijvoorbeeld de onzinnige beschuldigingen van Van Oorschot en De Bruyne aan het adres van particulier secretaris van de koningin François van ’t Sant over zonder vraagtekens te zetten bij de feitelijke waarheid of het achterliggende motief. Van Oorschot achtte Van ’t Sant ervoor verantwoordelijk dat Van Oorschot en zijn vooroorlogse staf niet aan het roer kwamen te staan van de Nederlandse inlichtingendienst in Engeland. Van Alkema neemt dit over: ‘De Nederlandse intelligencespecialisten die in mei 1940 naar Londen waren overgekomen, waren namelijk allemaal ontslagen door Van ’t Sant.’ Als ze Van Oorschot even kritisch beoordeeld zou hebben als Hazelhoff, zou ze gevonden hebben dat dit niet aan Van ’t Sant lag, maar dat het om een ministeriële beslissing ging.

Ze kiest er bewust voor om bepaalde personen aan het woord te laten – en niet de tegenovergestelde getuigenissen die ze ook in de Parlementaire Enquête had kunnen vinden – omdat die aansluiten bij haar eigen redenering.

Speculatie en suggestie

Hoe weinig ruimte Hazelhoff Roelfzema krijgt, des te meer ruimte neemt Alkema zelf om te speculeren en suggereren. Dat kan gaan om details: waarom noemde Hazelhoff in een document wel Bob van der Stok, maar niet Peter Tazelaar als medereiziger naar Engeland? Of wat een mogelijke inspiratiebron voor zijn Leidse manifest kan zijn geweest. Het stellen van ‘concrete vragen’ wil niet zeggen dat dit de interessante vragen zijn. Maakt het uit of hij in Leiden op z’n balkon stond of binnen? Of hij alleen zijn ochtendjas aan had of dat het daar te koud voor was? Waarom wijdt zij drie bladzijden aan de vraag of Hazelhoff in Engeland wel of niet een bijbel aan de koningin kon overhandigen die hij het Oranjehotel had meegenomen?

Bewijs is voor Alkema blijkbaar niet nodig, zo schrijft ze: ‘Onderstaande feiten zijn niet allemaal aantoonbaar oorzakelijk met elkaar verbonden, maar roepen toch een beeld op.’ Arme verdachte die zo geframed wordt.

Alkema weet haar suggesties zo te formuleren dat ze gaan klinken als verdachtmakingen, die vervolgens – hoewel nog steeds ongefundeerd – leidden tot grote beschuldigingen die ze presenteert als de waarheid.

Bijvoorbeeld: iemand zou hebben gewaarschuwd dat Hazelhoff in ‘contact stond met de Duitsers’ (zonder bronvermelding). Het enige ‘bewijs’ dat Alkema levert is dat Hazelhoff niet of niet lang genoeg werd vastgehouden en dat zijn verhaal mogelijk niet rijmt met andermans ervaringen in het Oranjehotel. Verder kan ze alleen speculeren, bijvoorbeeld over wie er mogelijk in een tweede auto aanwezig zou kunnen zijn geweest bij Hazelhoffs arrestatie in 1941 (maar niet uitstapte). Als het vervolgens gaat over Hazelhoffs reis naar Engeland – hij ontkwam met onder andere Van der Stok en Tazelaar in 1941 op de St Cergue, een Zwitsers schip dat voer onder Panamese vlag – probeert Alkema allerlei vergezochte verbanden te leggen om te suggereren dat er Duitse connecties waren waardoor het schip de Rotterdamse haven mocht verlaten. Want anders zou het zogenaamd wel een ‘heel wonderlijk verhaal’ zijn. Geen van die suggesties kan ze onderbouwen, maar toch volgt de conclusie: ‘met medewerking en goedkeuring van de Duitsers verliet Hazelhoff Roelfzema dus Nederland’.

Deze methode van beschuldiging door speculatie wordt ook toegepast op anderen aan de kant van Hazelhoff. Zo komt de beschuldiging ter sprake dat François van ’t Sant, de particulier secretaris van de koningin, voor de Britten zou werken. Dit wordt verder niet onderbouwd, maar hij wordt daarna wel betiteld als degene met ‘zijn dubieuze loyaliteit’. Later wordt ‘aangenomen’ dat hij informant was van de Amerikaanse geheime dienst tijdens de oorlog, ook zonder bron of bewijs. De bron daarvan kan alleen De Bruyne zijn, die dat in oktober 1942 geopperd heeft. Dat dit destijds onmiddellijk door de Amerikanen is ontkracht, laat Alkema echter buiten beschouwing. Zo worden oude leugens nieuw leven ingeblazen en nu staan er geen Amerikanen klaar om dat opnieuw te ontkrachten.

Het meten met twee maten en speculatie zijn helemaal desastreus als historische kennis en een gevoel voor perspectief ontbreken. Buiten hun historische context gaan documenten of uitspraken een heel eigen en ander leven leiden.

Historisch perspectief

Door dit gebrek aan historisch perspectief ontstaan bizarre complottheorieën, zoals over het Englandspiel – het ‘spel’ van de Duitse Abwehr en Sicherheitsdienst tegen de Britse sabotagedienst waarbij tientallen Nederlandse geheim agenten in Duitse handen vielen. In een verhaal vol feitelijke onjuistheden geeft de auteur een belangrijke rol – al kan ze niet duiden welke – aan een Nederlandse inlichtingenofficier in Londen en geeft ze Christmann, medewerker van de Duitse contraspionage, de Abwehr, de glansrol die hij in naoorlogse verhoren zichzelf toe-eigende. Ze volgt kritiekloos het zeer gekleurde verhaal van de nazi Schreieder waardoor een actie van Hazelhoff – het overzetten van SIS-agent Willem van der Reijden – het begin wordt van het Englandspiel en alle gebeurtenissen daarna voor Hazelhoffs rekening komen.

Hazelhoff Roelfzema als middelpunt van het Englandspiel nemen leidt tot een groteske vertekening. Hazelhoff was slechts een onderdeel van ‘Contact Holland’: het per boot overzetten van geheim agenten van Engeland naar de Nederlandse kust. De leiding van de operatie als geheel was in handen van de Britse inlichtingendienst Secret Intelligence Service (SIS) – van de opleiding van de agenten tot het uitvoeren van de operaties en het onderhouden van zendcontact met de agenten – met enige inbreng van de Nederlandse regering, die immers potentiële agenten beschikbaar stelde en soms een opdracht aan hen meegaf. Dat Alkema oordeelt ‘de Engelsen speelden ook een rol’ is een gotspe: Contact Holland was niet meer dan een klein radertje in de grote machine van de Britse overheid, opererend in moeilijke oorlogsomstandigheden.

De arrestatie van de door Contact Holland overgezette SIS-agent Van der Reijden wordt door Alkema genoemd als het beginpunt van het Englandspiel. De Duitsers hadden echter in augustus 1941 door een eerdere arrestatie al kennis opgedaan over het telegramverkeer van de Britten, waren flink op weg om organisaties in Nederland te infiltreren en startten het echte ‘spel’ een maand na de arrestatie van Van der Reijden nadat ze een SOE-agent uitpeilden en door middel van zijn zender in contact kwamen met Engeland. Wie Van der Reijden de ‘eerste marconist van het Englandspiel’ noemt die ‘naar Nederland [was] gebracht én gearresteerd door toedoen van de groep Hazelhoff Roelfzema’, slaat de plank totaal mis.

Volgens de auteur zorgde het ‘continue falen’ van Contact Holland voor slachtoffers, mensen ‘die niet op deze manier door executie, ziekte in een kamp of ander geweld om het leven zouden zijn gekomen, als Landing Operation Contact Holland niet had plaatsgehad’. Het is absurd om Hazelhoff voor deze afloop verantwoordelijk te houden. Contact Holland was een gedurfd plan. De Britten en de Nederlandse regering in ballingschap zaten te springen om contact met bezet Nederland: wat gebeurde daar en wat deed het verzet? Het afzetten van mannen over zee was een van de weinige manieren om dat contact tot stand te brengen. Een methode zonder risico op slachtoffers bestond niet. Dat de Nederlandse regering mensen uit Nederland wilde laten overkomen, compliceerde de oorspronkelijke opzet van Contact Holland. Ook dat kan Hazelhoff niet worden aangerekend. Dat bij de ophaalactie in januari 1942 en in de nasleep daarvan arrestaties plaatsvonden, was niet zijn fout maar het gevolg van problemen bij de overtocht, infiltratie door voor de Duitsers werkende Nederlanders en door de bezetter uit de verhoren verkregen informatie.

Onjuistheden

Het boek barst van de onjuistheden. Zo schrijft Alkema dat agent Evert Radema telegrammen zond voor SOE-agenten – hij zond voor SIS-agent Ernst de Jonge – en dat de Brit Euan Rabagliati, werkzaam voor SIS, ontslagen werd vanwege het mislukken van Contact Holland. In werkelijkheid dreigde Rabagliati op te stappen toen hij geen hoofd werd van de Europese Afdeling van SIS en werd hij daarom ontslagen. Alkema beweert dat de agenten die ná Tazelaar zijn afgezet door Contact Holland niet goed hebben gefunctioneerd. Een van hen, Ernst de Jonge, heeft echter een van de best functionerende inlichtingengroepen opgezet, die ondanks arrestaties door is blijven werken tot het einde van de oorlog. Haar bewering is niet alleen onjuist, maar schaadt dappere mensen die zich niet meer kunnen verdedigen.

Voordat we Alkema’s boek lazen, hebben we geen enkele neiging gevoeld om Hazelhoff te verdedigen. Maar als een onderzoeker hem dermate ongefundeerd als een schurk afserveert, is een tegengeluid op zijn plaats.

Dat Hazelhoff de titel ‘Soldaat van Oranje’ heeft gekozen voor zijn memoires, geeft hem geen exclusief recht op de status van oorlogsheld. Maar om Peter Tazelaar, Gerard Dogger, Chris Krediet, Trix Terwindt en al die andere mannen en vrouwen van het verzet te eren, hoeft Hazelhoff niet gekleineerd en hoeven zijn verdiensten niet ontkend te worden.

We hopen dat de recherche in actuele zaken minder bevooroordeeld onderzoek doet dan in dit boek gebeurt.

Alle blogs Engelandvaarders Regering in Londen SIS-agenten