Geheime diensten in Londen, 1940-1943
- TB
- 21 sep 2021
- 3 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 26 okt 2024
De wereld van de geheime diensten in Londen in de eerste oorlogsjaren was een onoverzichtelijk geheel. Dat kwam niet alleen door de geheimzinnigheid waarmee ze waren omgeven, maar ook door de conflicten die binnen en tussen de diensten heersten, niet zelden op het persoonlijke vlak.
De Britten hadden een groot aantal verschillende diensten. De belangrijkste waar de Nederlandse regering in ballingschap en de organisaties in bezet Nederland mee te maken hadden waren:
MI5, de binnenlandse veiligheidsdienst die zich ook bezighield met contraspionage in Engeland zelf.
Secret Intelligence Service (SIS, ook wel MI6 genoemd), de klassieke inlichtingendienst die informatie in het buitenland moest vergaren ten dienste van de oorlogsvoering en zich ook met contraspionage bezighield. Het hoofdkantoor was gevestigd op 54 Broadway.
Special Operations Executive (SOE), in 1940 opgericht om in bezet gebied propaganda tegen de bezetters te verspreiden, sabotage tegen de bezettingsmacht te organiseren en verzetsorganisaties te steunen. Als hoofdkantoor nam SOE 64 Baker street in gebruik. SOE werd wel aangeduid als de 'Baker street irregulars', met een verwijzing naar de straatjochies uit Sherlock Holmes.
MI9, die als taak had om ontsnappingslijnen uit bezet gebied op te zetten voor geallieerde krijgsgevangenen en militairen, in het bijzonder neergeschoten RAF-bemanningsleden.
Deze diensten moesten samenwerken met geallieerde regeringen in ballingschap in Londen – regeringen waarbinnen vaak geen eenduidigheid was over samenwerking met de Britten. In bezet gebied hadden de Britse geheime diensten te maken met verschillende verzetsgroepen, die soms lijnrecht tegenover elkaar stonden. Deze problemen deden zich in de eerste jaren ook voor tussen de Britse en Nederlandse organisaties en autoriteiten.
De Nederlandse geheime dienst werd op 19 juli 1940 opgericht onder de naam Centrale Inlichtingendienst (CID). Deze werd ondergebracht bij het ministerie van Justitie en François van 't Sant, particulier secretaris van Wilhelmina, kreeg de leiding ervan. Hij had tijdens de Eerste Wereldoorlog ervaring opgedaan met inlichtingenwerk en had uitstekende connecties met de Britten, in het bijzonder met de Secret Intelligence Service. Van 't Sant kon goed samenwerken met kolonel Euan Rabagliati die vanaf eind 1940 bij SIS verantwoordelijk was voor Nederland en Denemarken. Rabagliati kreeg in september 1941 zelfs de exclusieve verbindingsrol tussen de Nederlandse en de Britse geheime dienst toebedeeld. Rabagliati's adres was officieel War Office kamer 055.A, Whitehall.
Half augustus 1941 werd Van 't Sant ontheven van zijn functie bij de CID. Hij werd (tijdelijk) opgevolgd door kapitein Robert Derksema, die al bij de dienst werkte. De CID kwam nu onder het ministerie van Binnenlandse Zaken te vallen. Derksema verplaatste het kantoor van Chester Square 77, waar de werkvertrekken van Wilhelmina en Van ’t Sant waren, naar 82 Eaton Square.
De relatie met de Britten verslechterde: Derksema, geen inlichtingenman, kon niet met Rabagliati overweg. Op 5 februari ging de CID over naar het ministerie van Marine en werd kolonel der mariniers Mattheus de Bruyne, evenmin bekend met het inlichtingenwerk, benoemd tot hoofd. Hij hield kantoor bij het departement van Marine en gebruikte als adres 4 North Row.
Onder De Bruyne liep de samenwerking met de Britten volkomen vast. Derksema noch De Bruyne accepteerden dat de Engelsen de touwtjes in handen hadden bij de inlichtingenoperaties. Uiteindelijk explodeerde de zaak. Rabagliati verdween van het toneel en De Bruyne kwam aan het hoofd te staan van het bureau Militaire Voorbereiding Terugkeer. Daar ging De Bruyne samenwerken met SOE. De 41 geheime agenten die SOE vervolgens boven bezet gebied dropte, werden slachtoffer van het Englandspiel: ze werden gearresteerd bij landing.
Комментарии